U bevindt zich hier: Startpagina > Info. alg. > Competitieregels

Competitieregels

Wedstrijdformulier.
Na het spelen van een wedstrijd wordt er een wedstrijdformulier volledig en
leesbaar ingevuld en ondertekend door beide teamleiders. De thuis spelende
vereniging is er verantwoordelijk voor dat dit formulier betreffende libre
wedstrijden de zaterdag volgend op de gespeelde wedstrijd voor 12.00 uur bij de
competitieleiding binnen is.

Voor de wedstrijdformulieren van gespeelde driebanden wedstrijden geldt dat
deze de woensdag volgend op de gespeelde wedstrijd voor 12.00 uur binnen
moeten zijn bij de competitieleiding.

Wekelijkse stand.
De wekelijkse overzichten worden op maandag per E-mail verzonden en
gepubliceerd op deze website.
Men dient er rekening mee te houden dat de stand van de competitie driebanden
op de overzichten een week achterloopt.

Adres competitieleiding:
Doy Jasperse
Lange Griet 23
6932 MA Westervoort
Fax: 0316 - 344041
E-mail wedstrijdleiding: doy@upcmail.nl
Telefoon wedstrijdleiding 026-8446835.

Dubbelpartijen.

Men mag alleen in de spelsoort libre dubbelpartijen spelen.
Maximaal 5 partijen per team (inclusief de supercup).
De dubbelpartij mag alleen worden gespeeld door de speler met het laagste
aantal te maken caramboles van een team.
Van deze speler wordt het aantal te maken caramboles van zijn tweede (dus
laatste) partij verhoogd met 10% afgerond naar boven.

Opnieuw opzetten van vastliggende of uitgesprongen ballen bij libre
Een stilliggende bal ligt vast als de arbiter heeft geconstateerd dat deze een
andere bal of een band raakt.
Een bal is uitgesprongen als deze buiten de omlijsting komt of de arbiter heeft
geconstateerd dat deze de omlijsting heeft geraakt.
Het mag hierbij duidelijk zijn dat de van laken voorziene band geen onderdeel is
van de omlijsting maar van het speelveld.
Voor het spelen met vastliggende of uitgesprongen ballen zijn de volgende spelregels van toepassing:
De speler kan kiezen uit:
a. het plaatsen van alle ballen in de beginpositie;
b. het spelen vanaf een niet vastliggende bal of via een of meer banden tegen
welke de speelbal niet vastligt;
c. het losspelen van zijn/haar speelbal door een kopstoot (massé of piqué).

Opnieuw opzetten van vastliggende of uitgesprongen ballen bij driebanden
Ligt de speelbal vast tegen een of beide andere ballen, dan mag de speler kiezen uit:
a. het spelen vanaf een niet vastliggende bal of via een of meer banden tegen welke de speelbal niet vastligt;
b. het losspelen van zijn speelbal door een kopstoot (massé/piqué);
c. het op de acquits laten plaatsen van zijn speelbal en de daaraan vastliggende bal als de speelbal tegen beide andere ballen vastligt en wel:
- de rode bal op het bovenacquit;
-
de speelbal op het benedenacquit;
-
de andere bal op het middenacquit.
Is het voor de vastliggende bal aangewezen acquit versperd, dan wordt die bal geplaatst op het acquit aangewezen voor de bal die dat acquit verspert.
Zijn een of meer ballen uitgesprongen, dan dienen de uitgesprongen ballen op de acquits te worden geplaatst zoals dit in punt 3 is voorgeschreven.
Ligt de speelbal tegen een bal vast, dan worden alleen deze twee ballen op de acquits geplaatst.
De derde, dus niet vastliggende bal moet blijven liggen.
Ligt de speelbal tegen beide andere ballen vast, dan worden alle ballen op de acquits geplaatst.
Stoot een speler af en springt zijn bal uit, dan is op dat moment zijn beurt voorbij.
Dit betekent dat op hetzelfde moment de andere bal de speelbal wordt.
De uitgesprongen bal (in dit geval de bal waarmede de speler afstootte) wordt als de andere bal op het middenacquit geplaatst.
Duidelijk is dat als tijdens de uitvoering van een stoot "de andere bal" uitspringt deze dan als de speelbal op het benedenacquit wordt geplaatst.
Raakt een bal de omlijsting en rolt deze daarna weer op het speelvlak terug, dan moet worden getracht die bal tegen te houden.
Omdat bij de spelsoort driebanden alleen de uitgesprongen bal op het daarvoor aangewezen acquit moet worden geplaatst, moet er voor worden
gezorgd dat andere ballen, na dat uitspringen niet meer van plaats veranderen of tijdens het uitlopen van richting worden veranderd.

De 60 beurten regel bij driebanden
Bij driebanden worden de partijen gespeeld in maximaal 60 beurten.
Dit houd in dat als speler 1 de 60e beurt heeft gehad, voor speler 2 de ballen moeten worden opgezet voor de nabeurt.
Vervolgens bepaalt het percentage (gemaakte caramboles : te maken caramboles) de winnaar van de partij.